Personeels bv onder vuur door uitspraak Europese Hof
Een column van mr. Erik Jansen van Boels Zanders Advocaten:
Op 21 oktober 2010 is door het Europees Hof van Justitie een belangwekkende beslissing genomen, die grote financiële gevolgen kan hebben voor bedrijven die hun personeel in een personeel BV hebben ondergebracht. De zaak waar het Europees Hof zich over uit moest laten is als volgt samen te vatten.
Heineken heeft haar personeel ondergebracht in een personeel BV. Vanuit deze BV wordt het personeel gedetacheerd naar de verschillende bedrijfsonderdelen van Heineken. Een van deze bedrijfsonderdelen is de BV die zich bezighoudt met de catering voor de bedrijfslocaties van Heineken. Per 1 maart 2005 heeft Heineken de cateringactiviteiten overgedragen aan Albron, een cateringbedrijf. Albron verzorgt het beheer en de exploitatie van restauratieve diensten, met name in bedrijfsrestaurants.
De werknemers van de cateringtak van Heineken kwamen in dienst bij Albron. Albron was van mening dat zij deze werknemers een nieuwe arbeidsovereenkomst kon aanbieden en vrij was in het bepalen van de arbeidsvoorwaarden. De werknemers waren van mening dat dit niet het geval was. Zij stelden zich op het standpunt dat sprake was van een zogenaamde overgang van onderneming en dat de rechten en plichten die zij hadden op basis van de arbeidsovereenkomst bij Heineken, door de werking van de daarvoor geschreven wettelijke bepalingen automatisch overgaan op Albron.
Het juridische discussiepunt
Wanneer is nu sprake van overgang van onderneming? Hiervan is sprake als een onderneming, een vestiging of onderdelen van een onderneming of vestiging door een overeenkomst of fusie van de ene ondernemer overgaat op de andere ondernemer. Of dit zo is, wordt bepaald door alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Zonder hier uitvoerig in te gaan op de elementen die hierbij van belang zijn, speelt daarbij een rol of mensen en/of machines en/of contracten overgaan, de feitelijke werkzaamheden en werkplek al dan niet veranderen etc..
In deze zaak staat vast dat in beginsel werd voldaan aan de eisen van een overgang van onderneming. Het discussiepunt in deze zaak is echter dat de werknemers niet in dienst waren van de cateringtak van Heineken, maar van de personeel BV. De vraag was dus nu of de medewerkers desondanks een beroep konden doen op de beschermende wettelijke bepalingen die gelden bij overgang van onderneming. Dat zou betekenen dat de werknemers hun Heineken arbeidsvoorwaarden zouden "meenemen" naar Albron. Voor de werknemers was dit van groot belang omdat de arbeidsvoorwaarden bij Heineken duidelijk beter waren dan de arbeidsvoorwaarden bij Albron.
Albron vond dat geen sprake was van overgang van onderneming, nu de medewerkers in dienst waren bij de personeel BV en beloonde de medewerkers conform de CAO Catering. Eén medewerker die mee was overgegaan naar Albron nam hiermee geen genoegen vanwege de financiële consequenties voor hem. Hij heeft de zaak aanhangig gemaakt bij de rechter en gevorderd te bepalen dat sprake was van overgang van onderneming en dat de rechten en verplichtingen die hij op grond van de arbeidsovereenkomst met Heineken had, zijn overgegaan op Albron. Dit heeft uiteindelijk geleid tot de beslissing van het Europees Hof.
Het Europees Hof prikt als het ware door de door Heineken gekozen constructie heen. Het Hof bepaalt dat de werknemers feitelijk uitsluitend werkzaam waren voor de cateringtak van Heineken en dus moesten worden beschouwd als werknemers van de cateringtak. De cateringtak wordt door het Hof beschouwd als "feitelijke werkgever" van de werknemers. Deze moeten daarmee in het kader van de beoordeling van overgang van onderneming geacht worden in dienst te zijn van het onderdeel van de onderneming dat is overgegaan naar Albron. De regelgeving over overgang van onderneming is daarom van toepassing.
Gevolgen van deze beslissing
De gevolgen van deze beslissing voor Albron zijn groot, althans dit is zeer aannemelijk. Nu is komen vast te staan dat sprake kan zijn van een overgang van onderneming, zal de Nederlandse rechter gezien de feiten en omstandigheden naar alle waarschijnlijkheid bepalen dat de werknemers recht hebben en zijn blijven houden op de arbeidsvoorwaarden zoals ze die bij Heineken hadden. In veel gevallen betekent dit dat de werknemers nog recht hebben op 35% extra salaris voor de periode vanaf 1 maart 2005.
Deze beslissing heeft tot gevolg dat concerns die hun personeel in een personeel BV plaatsen en ze vanuit deze personeel BV detacheren naar een vast bedrijfsonderdeel, onder de regelgeving van overgang van onderneming vallen. Als een of meer van deze bedrijfsonderdelen wordt verkocht, kan daarvan het gevolg zijn dat het personeel dat in dit bedrijfsonderdeel is gedetacheerd, daarbij automatisch mee overgaat naar de overnemende onderneming.
Voor alle duidelijkheid wordt nog vermeld dat de uitspraak van het Europees Hof niet van belang in situaties van detachering buiten concernverhoudingen om. Vaste rechtspraak is dat gedetacheerde werknemers en uitzendkrachten bij een overgang van onderneming niet mee overgaan.
Mr. Erik Jansen
Boels Zanders Advocaten
Venlo




