In de laatste vijf jaar is een groter deel van de werkende bevolking vanuit huis gaan werken. Het aantal nam toe met meer dan 300 duizend. De stijging was het grootst bij vrouwen. Dat meldt het CBS op basis van nieuwe cijfers.

In 2017 werkten ruim 3 miljoen Nederlanders gewoonlijk of incidenteel thuis. Dat is bijna 37 procent van alle werkenden. In 2013 was dat nog ruim 34 procent. Mannen werken vaker thuis dan vrouwen, maar dit verschil is in de afgelopen jaren wel kleiner geworden. In 2017 werkte 38 procent van de mannen thuis en 35 procent van de vrouwen. In 2013 was dat respectievelijk 37 procent en bijna 32 procent.

Toename gewoonlijk thuiswerken onder vrouwen
Bij vrouwen zorgden vooral degenen die gewoonlijk thuiswerken voor de stijging. Dit is de groep die doorgaans in of vanuit de eigen woning werkt. Daartegenover staan de incidentele thuiswerkers, degenen die op een ander adres werken dan hun huisadres, maar ook weleens – al dan niet op een vaste dag – thuis. Deze groep is onder vrouwen ook licht gegroeid. Bij mannen nam het aandeel dat incidenteel thuiswerkt tussen 2013 en 2017 iets toe en bleef het aandeel dat gewoonlijk thuiswerkt vrijwel gelijk.

Vooral onder vrouwelijke zzp’ers meer thuiswerkers
Gewoonlijk thuiswerken komt naar verhouding vaak voor onder zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers). Bovendien nam vooral bij zzp’ers het aandeel vrouwen toe dat gewoonlijk thuiswerkt: van 48 procent in 2013 naar 56 procent in 2017. Daarnaast werkte in 2017 ook van de vrouwen met een vaste arbeidsrelatie in loondienst een groter deel zowel gewoonlijk (9 procent) als incidenteel thuis (28 procent). In 2013 was dat respectievelijk 6 en 25 procent.

Meeste thuiswerkers onder vrouwen met creatieve en taalkundige beroepen
Uitgesplitst naar beroepsklasse was de groep thuiswerkers naar verhouding het grootst bij vrouwen met een creatief of taalkundig beroep, namelijk 71 procent. Ook bij vrouwen in managers- (70 procent) of ICT-beroepen (68 procent) was dit aandeel groot. Onder mannen was het aandeel thuiswerkers het grootst bij de ICT- (69 procent) en pedagogische beroepen (68 procent).