Jef Collijn is dood. Zomaar op een maandag op een golfbaan in Spanje omgekiept. Een hartstilstand deed hem sneuvelen tijdens zijn favoriete hobby. Hij gaf zijn vrouw en kinderen, zijn pa, broer en zussen, zijn zakenpartner Peter-Jan en medewerkers van restaurant Petit Bonheur en hotel Au Quartier nog een paar dagen hoop. Hij werd namelijk weer tot leven gewekt door reanimatie en in een ziekenhuis werd zijn rikketik gerepareerd. Jef’s brein – een dat vol zat met gastheerschap, humor, optimisme en liefde voor zijn directe omgeving en het leven – had echter al vaarwel gezegd. Geen hersenactiviteit meer wordt dan klinisch gezegd. Wat zou Jef zelf gezegd hebben over zijn laatste dagen. Die vraag sta ik mee op en ga er mee slapen. Hij was niet van de ‘lach of ik schiet humor’. Geen flauwe onderbroekenlol, flink gepeperde opmerkingen en heel veel zelfspot waren de ingrediënten die zijn vrijwel altijd goede humeur kenmerkten. “Geen hersenactiviteit meer, dokter. Heb ik die dan ooit gehad”? Jef zou het zo maar gezegd kunnen hebben bij het horen van wat er met hem aan de hand was. Maar verdomme, die grap kon hij niet plaatsen omdat zijn kleurrijke en goed gemutste leven met hem aan de haal was gegaan. Het kleine geluk dat hij iets meer dan een halve eeuw op grootse wijze leefde, etaleerde en zijn omgeving mee plezierde was voorbij. Vaten vol warme herinneringen over al die keren Jef’s enorme gave je koning, keizer en admiraal te voelen als je aan een tafeltje zat in Petit Bonheur. Het is een van die mijmeringen die nu rest.

Het overlijden van Jef Collijn wordt niet opgenomen in de geschiedenisboeken van Maastricht. Dat is best jammer. Samen met zijn vriend en zakenpartner Peter-Jan Baarda is hij tientallen jaren een voorbeeld geweest van uniek gastheerschap. Dat niet alleen. Met zijn tweetjes wisten ze van een restaurantje een restaurant-hotel met groot zakelijk succes te maken. Daar las en lees je zelden of nooit iets over in culinaire dan wel gastronomische of gastvrijheid beschouwingen waarin Maastricht de hemel wordt in geprezen. Die aandacht vond Jef ook volstrekt onbelangrijk. De gasten van Petit Bonheur ook niet. Aandacht voor elkaar daar ging het Jef om. In dat knusse restaurantje, op die Mediterrane binnenplaats of – en groupe – in die huiselijke salle à manger zat je een avond lang te eten en nog meer van elkaar en het leven te genieten. Jef verstond in die setting de kunst om op de juiste momenten gehurkt aan een tafeltje of op een omgedraaide stoel ‘aan te schuiven’. Nooit om de aandacht op te eisen, wel om aandacht te geven en – omdat hij net zo graag genoot als zijn gasten – even deel uit te maken van het plezier dat werd genoten. Het kleine geluk nam dan reusachtige proporties aan. Daar haal je geen Michelinster mee. Wel zorgt dat voor genoegens waar geen ster tegen op kan.

Neen, ik dis hier geen anekdotes op. Die staan in mijn geheugen gegrift. Een geheugen dat het wel nog doet en ik nu heel erg oneerlijk vind. Steevast noemde Jef me – als hij op de display van zijn telefoontje mijn naam zag oplichten – Ouwe Struikrover. Ik acht de kans groot dat hij velen zo noemde. De manier waarop hij dat zei deed je evenwel een unieke vriend voelen. Jef deed alle struikrovers, gasten, medewerkers, leveranciers uniek voelen. Dat lukt alleen mensen die van het kleine geluk het belangrijkste en prettigst gevoel van het leven kunnen maken.

Laurens Bouvrie