Pas wet aan: AOW koppelen aan gewerkte jaren, niet aan leeftijd

In theorie is de verhoging van de AOW-leeftijd naar 67 jaar in 2022 – en daarna een verhoging die gelijke tred houdt met het toenemen van de levensverwachting – een logisch besluit. Logisch: we worden steeds ouder, terwijl de AOW er financieel op gebaseerd is dat we na het werken nog een slordige 14 jaar en vier maanden te leven hebben.

Het probleem met de redenering is dat het om gemiddelden gaat, om getallen, om statistieken. Om mensen, maar meteen ook niet om echte mensen. De gemiddelde mens bestaat niet: dat laat nu ook de praktijk zien. Mensen met een zwaar beroep verdwijnen nu steeds meer in de WIA: die regeling wordt zo het het voorportaal van het staatspensioen. Een betonvlechter is geen ‘gemiddelde mens’.

De geschiedenis gaat zich hier vrijwel exact herhalen. Waar nu de WIA het afvoerputje wordt voor de mensen die nog moeten werken maar niet meer kunnen, hadden we vroeger de WAO. In die regeling verdwenen – schandalig ! – door gebrekkige controles ook nog veel mensen die niet meer wilden werken. Totdat Nederland eind jaren negentig bijna één miljoen arbeidsongeschikten had.

Iedereen begrijpt dat een betonvlechter niet tot zijn 67e of nog langer kan blijven werken. Het UWV constateert nu dat veel mensen met een fysiek zwaar beroep nu in WIA belanden.  En dus zoeken werkgevers en werknemers nu naar oplossingen, en leggen ze het probleem nu op de formatietafel in Den Haag. Dat is terecht: de nieuwe AOW is een tekentafelplan. Bedacht door politici en ambtenaren die met vergaderen kastelen bouwen. Luchtkastelen vanzelfsprekend, want betonvlechters en timmerlieden zitten niet op het pluche.

Een oplossing zoeken in de definitie van wat een ‘zwaar’ beroep is: vergeet het maar. Daar kom je nooit uit. Er is simpelweg geen grens te trekken en dus zou zo’n oplossing al even onwerkbaar zijn als uitgaan van de gemiddelde mens.

Een oplossing die al vaak bepleit is, is even doeltreffend en rechtvaardig als praktisch uitvoerbaar. Geef iemand AOW als hij of zij 42 jaar fulltime heeft gewerkt. Voor de betonvlechter die op zijn 16e of 17e begint is dat duidelijk en eerlijk. Voor iemand die na een door de maatschappij betaalde studie (MBO, HBO, Universiteit) op latere leeftijd gaat werken, is 42 jaar ook eerlijk. Gestudeerden hebben vaker banen waarbij je in elk geval niet fysiek aan het eind van je Latijn bent na 42 jaar werken.

Dat zou de kern moeten zijn van een aanpassing van de AOW. Waarbij er een ruime invoeringstermijn moet komen, zodat iedereen de tijd heeft zich aan te passen. Voor wat betreft de hoogte van de uitkering: een kwestie van eerlijke verdeling van wat er jaarlijks is te besteden. Voor al die ‘gemiddelde mensen’ die nu tussen wal en schip vallen: maak alsnog een maatwerkoplossing. Een oplossing ook op basis van gewerkte jaren bij voorkeur.

Mensen die al tientallen jaren hebben bijgedragen aan de samenleving in Nederland, hoeven dan niet langer het gelag van Haags getalm  te betalen. Want een aanpassing van de AOW had natuurlijk al veel eerder en veel geleidelijker ingevoerd moeten worden. Maar dat durfden de politieke partijen niet: Want dat kost stemmen en dus zetels en dus baantjes.

Identiek is overigens het dossier over het beperken van de aftrek van de hypotheekrente. Ook veel en veel te laat aangepakt door Den Haag, maar uiteindelijk wel in gang gezet op een goede manier. Elk jaar wordt de aftrek met een half procentpunt verminderd. Dat is een tempo dat te verdedigen is als je ingrijpt de financiële planning van ‘de gemiddelde mens’.

Waarmee maar weer eens bewezen is dat regeren vooruitzien is. Leiderschap gevraagd in Den Haag, geen politieke marktonderzoekers die hun visie baseren op angst voor wat de goegemeente niet wil.

Maurice Ubags