'Overvaller' acht winkels centrum Maastricht vrijuit, veel camerabeelden te onduidelijk

De schrik van de middenstand in Maastricht. Gewapend met een dolk eiste hij de inhoud van de kassa op, telkens variërend van enkele honderden tot enkele duizenden  euro’s.

De politie maakte vorig jaar van september tot en met november jacht op de dader. Gesproken werd met middenstanders, camerabeelden werden vergeleken met bijvoorbeeld de Facebook-pagina van de verdachte, nadat een agent de gezochte man herkend meende te hebben. Bij een inval werd een dolk en een jas met een opzichtige print in beslag genomen. Een print die ook gezien werd op camerabeelden van een overval. Plus: de man werd duidelijk herkenbaar gezien in een van de winkels die een kwartier later overvallen werd.

Voor justitie voldoende wettig en overtuigend bewijs om de man voor de rechter te brengen.

De rechtbank sprak de man vrij. Onder meer omdat prints van diverse camerabeelden te vaag waren om de verdachte aan de hand daarvan goed te kunnen identificeren.

De rechtbank motiveert uitvoerig waarom ze niet tot de overtuiging is gekomen dat de verdachte ook daadwerkelijk de overvaller is:

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat op de plaatsen waar de aan de verdachte tenlastegelegde delicten werden gepleegd geen technische sporen zijn aangetroffen die aanleiding geven tot de veronderstelling dat de verdachte schuldig is aan het plegen van deze delicten. Voorts kan uit de door de aangevers en getuigen gegeven signalementen, die verschillende malen op relevante punten zoals postuur, huidskleur, kleur van de ogen, aard en al dan niet aanwezigheid van een (buitenlands) accent uiteenlopen, ook niet worden geconcludeerd dat het onmiskenbaar om verdachte gaat. Mede gelet hierop acht de rechtbank de waarnemingen van de verbalisanten, waarbij zij verdachte aan de hand van uiterlijke kenmerken zeggen te herkennen, onvoldoende betrouwbaar en daarom van beperkte bewijswaarde. De jassen die in de woning van de verdachte zijn aangetroffen vertonen weliswaar gelijkenis met de jassen op de fotoprints waarop de dader in de winkels te zien is, maar in de gegeven omstandigheden is dat onvoldoende om tot het bewijs te komen dat de verdachte de overvallen heeft gepleegd. Immers, een dergelijke gelijkenis rechtvaardigt op zich nog niet de conclusie dat verdachte de overvaller is, alleen al niet omdat de betreffende kledingstukken geen specifieke en onderscheidende kenmerken hebben doordat deze qua kleur en model zeer gangbaar zijn. Dat geldt ook voor het dolkmes (in een bruin foedraal), de fietstassen en de overige voorwerpen die in de woning van de verdachte zijn aangetroffen. Ten aanzien van de fotoprints van de camerabeelden, opgenomen in de vestiging van [firmanaam] gelegen aan de Markt te Maastricht, heeft de rechtbank de overtuiging dat daarop de verdachte is weergegeven, maar daaruit volgt niet dat de verdachte dezelfde persoon is die niet lang daarna een overval heeft gepleegd op de betreffende vestiging van de drogisterij keten [firmanaam] . Ook kan niet worden vastgesteld dat de verdachte onmiskenbaar de persoon is, die de dag van de overval op het [firmanaam] tevoren op de fiets door het centrum van Maastricht fietste en vanwege de gelijkenis van kleding en fietstassen dezelfde persoon zou kunnen zijn als de overvaller. Dit vanwege de onduidelijkheid van deze fotoprints, met name vanaf de 2e fotoprint op pagina 182 tot en met de laatste fotoprint op pagina 190. Dat geldt tevens voor de fotoprints van de vóór de overval op andere dagen door de stad fietsende persoon. De rechtbank kan overigens niet uit de bewijsmiddelen afleiden dat dit ook dezelfde persoon is die de overvallen heeft gepleegd. Verder acht de rechtbank de andere fotoprints en de camerabeelden van de overvallen onvoldoende scherp om daarop zonder meer zodanige gelijkenis tussen de daarop afgebeelde persoon met (het gezicht van) de verdachte te kunnen zien, dat kan worden vastgesteld dat hij de persoon is die één of meer van de aan hem tenlastegelegde overvallen heeft gepleegd. Tot slot geldt voor de gehanteerde modus operandi dat die veelal dezelfde is en dus aan dezelfde dader zou kunnen worden toegeschreven, maar zonder nader bewijs volgt ook daaruit niet dat de verdachte de dader is.