Rechtbank: Begrafenisondernemer Sniekers Maasbracht privé aansprakelijk voor boedeltekort

Begrafenisondernemer J. Sniekers uit Maasbracht (inmiddels 72) is – evenals zijn echtgenote – aansprakelijk voor het boedeltekort van Sniekers Holding bv. Vanuit die bv werden begrafenissen en crematies verzorgd. Het boedeltekort is circa drie ton.

Het bedrijf begon in 1998. In 2012 werd Sniekers ziek en in augustus 2012 ging het bedrijfspand bij een brand verloren. Ook de lijkwagen brandde uit. Sindsdien werden nog enkele uitvaarten uitbesteed aan derden.

Op 19 juli 2016 werd de holding failliet verklaard. Curator Saes constateerde dat de boeken maar tot 2009 waren bijgehouden. De curator zag tevens dat zakelijke en privé-geldstromen van de bestuurders volledig door elkaar liepen. Saes oordeelde dat er ook sprake was van selectieve betaling van schuldeisers: de ene kreeg wel nog geld, de andere niet. In dit geval zou het gaan om betalingen van de bv aan de bestuurders zelf.

Voor de rechtbank vorderde  Saes dat de bestuurders veroordeeld worden privé voor het boedeltekort op te draaien. Dat boedeltekort beloopt circa drie ton. Subsidiair vorderde Saes de rechtbank te verklaren dat de bestuurders onverschuldigd 118.000 euro van de bv aan zichzelf hebben betaald.

De bestuurders ontkennen de aantijgingen van de curator. Zo zou er ten alle tijde zicht zijn geweest op de financiële situatie van de zaak. In feite zou er maar één schuldeiser zijn met vorderingen uit de jaren 2007-2011. Die vordering zou verjaard zijn.  Voorts zouden er ook privé-betalingen ten behoeve van de zaak zijn gedaan.

De rechtbank gaat eraan voorbij dat de bestuurder wel geweten kan hebben hoe de vork financieel in elkaar zat, maar dat voor buitenstaanders niet zo is: “Bovendien staat vast – zijnde door de curator gesteld en door [gedaagden] erkend – dat er privébetalingen hebben plaatsgevonden van de zakelijke rekening en zakelijke betalingen van de privérekening. Dat impliceert dat (delen van) de rechten en verplichtingen van de Holding alleen maar gekend en inzichtelijk kunnen worden door raadpleging van de bestuurders en hun privé-administratie; zonder medewerking van [gedaagden] in privé zijn deze niet (en dus niet te allen tijde) kenbaar. Aan het verweer van [gedaagden] , dat erop neerkomt dat de administratie van de rechtspersoon voldeed aan het vorenstaande omdat hijzelf als bestuurder precies wist hoe de vork in de steel zat en welke rechten en verplichtingen de Holding had, gaat de rechtbank dan ook voorbij: een dergelijke wijze van administratie-voering voldoet niet aan de hiervoor bedoelde eisen van een functionerende administratie van de Holding.”

Ook andere delen van het verweer passeert de rechter:

Bovendien is er niet slechts één crediteur met een vordering op de Holding: door de curator is onweersproken aangevoerd dat er zeven crediteuren zijn die een vordering hebben en wel tot een totaalbedrag van € 298.473,09.

Waarna de rechtbank de vordering van de curator volledig toewijst:

Op grond van al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat [gedaagden] als bestuur van de Holding zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement, zodat [gedaagden] jegens de boedel aansprakelijk is voor het bedrag van de schulden voor zover die niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan (art. 2:248 lid 1 BW).

Het gevraagde voorschot wordt afgewezen omdat de curator dat niet onderbouwd had.