Rechtbank Limburg haalt uit naar Essent na verkoop schulddossiers klanten aan Zweeds bedrijf

Energieleverancier Essent verhandelt op grote schaal schuldendossiers van Nederlandse consumenten aan de Zweedse onderneming Hoist Kredit AB. Dat dit niet altijd tot een zorgvuldige afwikkeling van de vordering leidt, valt uit een uitspraak van de rechtbank Limburg op te maken. Het ging om een vordering van 176 euro tegen een cliënt die werd bijgestaan door advocaat G. Beulen uit Landgraaf.

De rechtbank vat het zo samen:

Een combinatie van misverstanden als gevolg van het niet of te laat informeren van de consument over belangrijke aspecten van de vordering, gebreken in het overgedragen schulddossier zelf en het nalaten van rechtstreeks overleg. Maar ook een veel te gemakzuchtige benadering van de processuele aanpak aan de kant van eisende partij. Resultaat: alleen de hoofdvordering blijft na twee procesronden overeind en partijen blijven elk met de eigen kosten zitten. Bij goed overleg buiten rechte had dit voorkomen kunnen worden: sneller én goedkoper, maar ook minder belastend voor alle betrokkenen.

Uit het vonnis:

In plaats van de moeite te nemen een radeloze consument uitleg te geven over de inhoud van een nota of de betekenis van een betaling (al dan niet vertraagd of voor een te laag bedrag), kiest de schuldeiser er voor slechts te herhalen dat er een schuld is zonder het hoe en waarom begrijpelijk uit te leggen. Daarmee wordt dan gewacht tot er geprocedeerd ‘moet’ worden en ook dan acht Hoist het overbodig om reeds in het inleidende exploot van dagvaarding de noodzakelijke duidelijkheid te verschaffen.

Zowel waar het gaat om naleving van de gemotiveerde stelplicht als ten aanzien van het terstond bij exploot inbrengen althans concreet in het vooruitzicht stellen van schriftelijke of andere bewijsmiddelen miskent Hoist als eisende partij haar processuele verplichtingen. En dat alles in meer dan verwaarloosbare mate. Van Hoist als repeatplayer en ook van haar professionele gemachtigde had (ook in deze zaak) anders verwacht mogen worden. Dat [gedaagde] het spoor al eerder bijster geraakt was, hoeft weinig verbazing te wekken, want ook in de pre-processuele fase liet Hoist zich niet van haar beste kant zien.

De rechtbank beslist uiteindelijk dat de cliënt de – door hem erkende – hoofdvordering van 176 euro moet betalen, maar dat alle andere kosten van deze procedure voor rekening van de Zweden komen.