Rechtbank verlaagt boete managers Janssen de Jong (Zuid-Limburg) naar 175.000 en 70.000 euro

 

De twee, die als feitelijk leidinggever zijn aangemerkt, ‘profiteren’ naar rato van een uitspraak in juni dit jaar, waarbij Janssen de Jong als bedrijf een matiging kreeg van 3 miljoen naar 2,5 miljoen.De rechtbank weegt ook mee dat in de tijd dat de overtredingen van de Mededingingswet plaatsvonden, 2008-2009, dergelijke hoge boetes nog niet werden opgelegd aan natuurlijke personen.

Bij de verboden gedragingen gaat het om het maken van kartelafspraken over inschrijfprijzen op aanbestedingen. In 2008 werd de Mededingingswet elf keer overtreden volgens de rechtbank.

Janssen de Jong heeft zich altijd gedistantieerd van de gedragingen van de managers, die destijds zijn ontslagen. Het bedrijf heeft in 2013 de infra-activiteiten verkocht aan het Duitse Strabag.

Uit het vonnis:

1. ACM heeft op 9 december 2008 een onderzoek ingesteld naar een mogelijke overtreding van artikel 6 van de Mw door ondernemingen die actief zijn op het gebied van grond-, weg- en waterbouw in Zuid-Limburg. Op basis van de resultaten van haar onderzoek heeft ACM zich op het standpunt gesteld dat onderneming 1 en [naam] B.V. (onderneming Z) in de periode maart 2008 tot en met december 2008 in elk geval inschrijfcijfers hebben afgestemd en/of informatie hebben uitgewisseld over hun voorgenomen inschrijfgedrag voorafgaande aan de inschrijving op 11 aanbestedingen. Hiermee hebben onderneming 1 en onderneming Z volgens ACM het kartelverbod van artikel 6 van de Mw overtreden. ACM rekent de overtreding van onderneming 1 toe aan onderneming 2 en onderneming 3 en heeft deze ondernemingen een boete opgelegd van 3 miljoen euro. ACM heeft eiser 1 een boete van € 100.000,– opgelegd en eiser 2 een boete van € 250.000,–, omdat zij feitelijk leiding zouden hebben gegeven aan deze overtreding.

5. Eisers stellen dat er geen sprake is van feitelijk leidinggeven omdat voorwaardelijk opzet ontbreekt. Eiser 1 erkent dat vooral hij telefonische contacten onderhield met onderneming Z en ontkent niet dat de contacten hebben plaatsgevonden. Hij stelt echter dat hij oprecht in de veronderstelling verkeerde dat cover pricing was toegestaan. De gedragingen, die nu aan de orde zijn, zijn van een heel andere orde dan de aanbestedingsafspraken waarvoor verschillende bouwbedrijven (waaronder (een van) de ondernemingen) eerder zijn beboet en eiser 1 onthield zich uitdrukkelijk van dat type gedragingen. De gedragingen die ACM eiser 1 nu verwijt zijn niet eerder beboet. Pas in 2009 heeft de Office of Fair Trading (OFT) verschillende bouwondernemingen beboet op verdenking van cover pricing, terwijl de gedragingen die eiser 1 nu worden verweten pas in 2008 plaatsvonden. Ook heeft ACM pas in 2010 een brochure gepubliceerd waarin voor het eerst werd verwezen naar het verboden karakter van een schijnbieding (cover price).

Nu de rechtbank echter in haar uitspraak van 23 juni 2016 in de zaak van de onderneming een lagere ernstfactor (geen 1.75 maar 1,5) passend en geboden acht, dient dit naar het oordeel van de rechtbank ook in de boete voor eisers tot uitdrukking te komen, zodat de rechtbank een boete van € 100.000,— voor eiser 1 en een boete van € 250.000,– voor eiser 2 niet passend acht. Hoewel ACM terecht tot de slotsom is gekomen dat er, nu de ernst van de overtreding daaraan in de weg staat, geen aanleiding is voor het opleggen van een symbolische boete, acht de rechtbank ook om andere redenen (verdere) matiging van de boete aangewezen. Deze redenen zijn de lage inschaling van het prijslenen in de categorie “zeer zware” overtredingen, de omstandigheid dat in het (Nederlandse) mededingingsrecht ten tijde van de overtreding nog niet dergelijke hoge boetes aan natuurlijke personen waren opgelegd. Een boete vastgesteld op een (afgerond) bedrag van € 70.000,– voor eiser 1 en op een (afgerond) bedrag van € 175.000,– voor eiser 2 acht de rechtbank wel passend en geboden. Een dergelijke boete is naar het oordeel van de rechtbank ook zodanig hoog dat aan het in de boetecode 2007 neergelegde oogmerk van speciale en generale preventie voldoende recht wordt gedaan.