RECHTBANK: Zwitsers bedrijf BBL moet zonnestudio's Maastricht/Beek afnemen voor kwart miljoen

Dat blijkt uit een uitspraak van de rechtbank Limburg.

In 2014 kwam de verkoper in contact met BBL in Zwitserland. Enkele maanden later is de koopprijs afgesproken (kwart miljoen) en is het geld gestort op een derdengeldrekening van de notaris.

Extra bedrijf

In de tussentijd heeft BBL een derde aangesteld die de onderhandelingen zou voeren. Dat namens een nieuw opgericht bedrijf, OS Invest AG.

Beslag

Uiteindelijk wordt het geld van de derdenrekening niet aan de verkoper uitbetaald. Die legt beslag op het pand. Onduidelijk is of het bij de verkoop gaat om de vestiging in Maastricht of in Beek.

Hieronder uit de uitspraak (hier de volledige versie):

Onweersproken is, althans onvoldoende onderbouwd betwist, dat BBL na ommekomst van de termijn in artikel 7 van de letter of intent zich niet mondeling of schriftelijk heeft beroepen op de uitstap-clausule. Dat BBL zich feitelijk heeft teruggetrokken, wordt betwist door [gedaagde] . Sterker nog [gedaagde] heeft met verklaringen en documenten onderbouwd dat BBL de onderhandelingen na 1 augustus 2014 gewoon heeft voortgezet.
De machtiging van [naam gevolmachtigde] om voor BBL de aankoop van de zonnestudio van [gedaagde] te bewerkstelligen is ondubbelzinnig en niet is gebleken dat deze machtiging is ingetrokken of berustte op een misverstand en diezelfde dag door OS is gecorrigeerd, zoals ter zitting is gesteld.
[gedaagde] mocht er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook vanuit gaan dat [naam gevolmachtigde] namens BBL de onderhandelingen over de aankoop van de zonnestudio’s voerde en de koopovereenkomst namens BBL kon sluiten.

Onvoldoende onderbouwd is dat BBL uit de onderhandelingen is gestapt en onvoldoende onderbouwd weersproken is derhalve dat [gedaagde] met BBL tot een vergelijk is gekomen. Dat de financieringsfirma van [naam bestuurder] , te weten OS, bij monde van [naam gevolmachtigde] op het laatste moment ook als koper “instapte”, maakt dit niet anders. Niet is gesteld en niet gebleken is immers dat [naam gevolmachtigde] op dat moment heeft geëxpliciteerd dat BBL uit beeld zou zijn als koper.

Dat het aankoopbedrag op 12 januari 2015 door BBL bij de notaris is gestort, bevestigt het beeld dat BBL zich na het tekenen van de koopovereenkomst op 18 december 2014 als koper gedroeg. Dat net als bij de volmacht bij deze storting ook sprake was van een misverstand, zoals ter zitting is gesteld, acht de voorzieningenrechter in het licht van de voorgeschiedenis onaannemelijk.

Het feit dat OS als “koper” door [naam bestuurder] er tussen is geschoven en voorts niet heeft betaald in samenhang gelezen met het feit dat BBL na 12 januari 2015, ondanks het voorhanden hebben van de aankoopsom, uiteindelijk van het toneel is verdwenen, zonder dat enige betaling is gedaan, voedt naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht de conclusie van [gedaagde] dat BBL en OS zó verweven zijn dat zij als gezamenlijke partij zijn te beschouwen. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat summierlijk is gebleken van een grondslag voor de vordering en dat het – mede gelet op de bewijsmiddelen die [gedaagde] ter beschikking staan – niet onaannemelijk is dat in de bodemprocedure de vordering zal kunnen worden toegewezen.

Omdat BBL heeft nagelaten concreet met (financiële) documenten of anderszins te onderbouwen dat zij op dit moment een of meer geïnteresseerden, laat staan een koper, heeft voor het pand [adres] , is naar het oordeel van de voorzieningenrechter bovendien niet aannemelijk gemaakt dat het gelegde beslag zodanig op de bedrijfsvoering drukt dat het belang van BBL bij opheffen van dat beslag zwaarder weegt van het belang van [gedaagde] bij handhaving daarvan.