Ruim vier op de tien scholieren werken

Daarmee hebben vier op de tien scholieren werk. Meestal gaat het om een kleine deeltijdbaan waarvoor alleen elementaire vaardigheden zijn vereist, zoals vakkenvuller en krantenbezorger. Het CBS publiceert elke maand over jongeren in het kader van de Landelijke Jeugdmonitor en heeft daarvoor een nieuwe analyse van de cijfers uit 2016 gedaan.
Havisten hebben het vaakst werk en vmbo-leerlingen het minst vaak. Wel zijn vmbo-leerlingen gemiddeld iets jonger. Meisjes verdienen iets vaker bij dan jongens, vooral onder vwo-leerlingen.

Merendeel kleine baan
Het merendeel van de scholieren in het voortgezet onderwijs gaat uitsluitend naar school en werkt niet. De meeste scholieren die een bijbaan hebben, werken niet meer dan 12 uur per week (84 procent). Bijna 15 procent werkt 12 tot 35 uur per week. Voltijdbanen (35 uur of meer) komen nauwelijks voor onder deze groep, alleen in de zomer.

Vooral ongeschoold werk
Scholieren doen over het algemeen werk waarvoor geen speciale vaardigheden of diploma’s vereist zijn. Het soort werk dat meisjes doen, verschilt iets van jongens. Meisjes zijn het vaakst werkzaam als vakkenvuller, werken achter de kassa of staan als verkoopster in een winkel. Ook bij jongens is vakkenvullen de meest voorkomende bijbaan. Daarnaast werken ze ook vaak als krantenbezorger of keukenhulp.

Jongeren in het mbo en hoger onderwijs werken het meest
Onder scholieren in het voortgezet onderwijs is de arbeidsparticipatie lager dan onder studenten in het mbo en het hoger onderwijs. Dit komt deels doordat de laatstgenoemde groep ouder is, maar ook omdat werk bij deze studenten een onderdeel kan zijn van de opleiding. Van alle onderwijsvolgende jongeren (15 tot 27 jaar) hebben bijna drie op de vijf werk. Van degenen met werk hebben drie op de vijf een baantje van minder dan 12 uur per week.